Zacharia 9




Gods woorden over de landen rond IsraŽl
1 Dit is wat Zacharia van de Heer moest zeggen over Hadrach en Damaskus. (Hadrach en Damaskus waren steden in Assur.) De Heer zegt: "Ik ben in het land van Hadrach. Ik woon ook in Damaskus. Want Ik let niet alleen op de stammen van IsraŽl, maar op alle volken.
2 Ik let op Hamat dat aan IsraŽl grenst, op Tyrus, op Sidon dat zichzelf zo wijs vindt.
3 Tyrus heeft wel een hoge muur rond de stad gebouwd, en verzamelt zoveel zilver en goud alsof het stof is,
4 maar Ik zal Tyrus laten veroveren. Ik zal de muren in zee storten. De stad zal worden verbrand. (Tyrus werd later vernietigd door Alexander de Grote van Griekenland. Ook de profeet EzechiŽl voorspelde de verwoesting van Tyrus en dat de stad in zee gestort zou worden. Lees EzechiŽl 26.)
5 Askelon zal het zien en bang worden. Ook Gaza en Ekron (Askelon, Gaza, Ekron, Asdod en Gat (hier niet genoemd) waren de vijf sterke Filistijnse steden die elk een eigen stadskoning hadden.) zullen beven van angst. Want wat zij hoopten, is niet gebeurd. Ze zullen bedrogen uitkomen. De koning van Gaza zal worden gedood. Askelon zal niet langer bewoond zijn.
6 Er zal een ander volk in Asdod komen wonen. Ik zal een eind maken aan de trots van de Filistijnen.
7 Ik zal het vlees van de afgodenoffers, vlees waar het bloed nog in zit, uit de mond van de Filistijnen halen. Ik haal het weg van tussen hun tanden. De Filistijnen die zullen overblijven, zullen voor onze God zijn. Ze zullen als aparte familie met een eigen stamhoofd in Juda wonen. Met de bewoners van Ekron zal hetzelfde gebeuren als vroeger met de Jebusieten van Jeruzalem. (Lees 2 Samuel 5:6 en 1 Koningen 9:20 en 21.)
8 Ik zal Zelf mijn tempel beschermen tegen aanvallende legers en plunderaars. En niemand zal mijn volk nog onder de voet lopen, want Ik waak er met eigen ogen over."

De koning van Jeruzalem
9 De Heer zegt: "Jubel en juich, bewoners van Jeruzalem! Kijk, jullie koning komt naar jullie toe. Hij is rechtvaardig en Hij zal jullie redden. Hij is bescheiden en rijdt op een jonge ezel. (Dit is een profetie over Jezus. In Johannes 12:1-19 is te lezen hoe deze profetie werkelijkheid werd. Maar vers 10 moet nog steeds gebeuren en gaat dus over de tweede komst van Jezus, aan het eind van de tijd.)
10 En Ik zal de strijdwagens uit IsraŽl en de paarden uit Jeruzalem vernietigen. Ook de wapens zal Ik vernietigen. Hij zal de volken vrede brengen. Hij zal heersen van zee tot zee en vanaf de Rivier (= de Eufraat) tot aan het eind van de aarde.
11 En omdat Ik met bloed een verbond met jullie heb gesloten, (Bedoeld wordt het verbond dat God met Abraham had gesloten. Zo'n verbond was een eeuwig verbond. Lees Genesis 15.) zal Ik jullie gevangenen uit de put bevrijden.
12 Gevangenen, kom terug naar de burcht Jeruzalem. Verlies de hoop niet! Vandaag zeg Ik jullie dat Ik jullie dubbel zal vergoeden wat jullie is aangedaan.
13 Juda zal mijn boog zijn en IsraŽl mijn pijl. Zo zal Ik met de bewoners van Jeruzalem jou aanvallen, Griekenland! Zij zullen mijn zwaard zijn, het zwaard van een held."
14 Dan zullen ze de Heer zien komen. Zijn pijlen zullen wegschieten als de bliksem. De Heer zal op de ramshoorn laten blazen. Hij zal oprukken als een woestijnstorm uit het zuiden.
15 De Heer van de hemelse legers zal zijn volk beschermen. Zijn volk zal de slingerstenen onschadelijk maken. Daardoor zal zijn volk overwinnen. Ze zullen vol blijdschap eten en drinken op de overwinning. Ze zullen zich helemaal vol drinken met wijn, net zoals de offerschalen en de horens van het altaar vol zijn met bloed van de geofferde dieren.
16 Zo zal hun Heer God op die dag het deel van zijn volk redden dat werkelijk zijn kudde is. Zij zullen in het land schitteren als edelstenen in zijn kroon. Ze zullen hoog opgeheven worden, zoals een vlag.
17 Ze zullen er prachtig uitzien doordat ze zoveel graan te eten en wijn te drinken hebben.


Vorige hoofdstuk

     

Volgende hoofdstuk





copyright 2013 | Stichting BasisBijbel
De bijbel in makkelijk Nederlands




Terug naar het overzicht



Aanbevolen door GotQuestions.org:



Zacharia 9