www.GotQuestions.org/Nederlands




Vraag: "Wat zijn aflaten en volle aflaten en is dit een Bijbels idee?"

Antwoord:
Volgens het Catechismus van de Katholieke Kerk is een aflaat “de kwijtschelding ten overstaan van God van tijdelijke straffen voor zonden die, wat de schuld betreft, reeds vergeven werden; de goed ingestelde gelovige kan deze kwijtschelding onder bepaalde welomschreven voorwaarden verwerven door toedoen van de kerk die als beheerster van de verlossing met gezag de schat der voldoeningen van Christus en de heiligen uitdeelt en toepast. De aflaat is gedeeltelijk of vol, naargelang hij iemand geheel of gedeeltelijk verlost van de tijdelijke straffen die voor de zonde verschuldigd zijn."

De volgende definities zijn ook belangrijk om dit onderwerp volledig te kunnen begrijpen:

Eeuwige zondestraf: “De zware zonde leidt tot verbreking van de gemeenschap met God. Daardoor maakt ze ons onbekwaam voor eeuwig leven. Het gemis van het eeuwig leven wordt ‘eeuwige zondestraf’ genoemd.”

Tijdelijke zondestraf: “Elke zonde, ook een dagelijkse, brengt een ongezonde gehechtheid aan de schepselen met zich mee. Deze gehechtheid heeft een loutering nodig, hetzij hier op aarde, hetzij na de dood in de toestand die vagevuur genoemd wordt.”

Vagevuur: “Een louterend vuur na de dood dat die mensen ondergaan die in de genade en de vriendschap van God sterven, maar nog niet volkomen gelouterd zijn, hoewel ze reeds van hun eeuwig heil verzekerd zijn, ten einde de noodzakelijke heiligheid te verwerven om in de vreugde van de hemel te kunnen binnengaan.”

De Rooms-katholieke Kerk onderwijst dat zonden een dubbel gevolg hebben. Voor een lid van de Katholieke Kerk leidt een [dodelijke] zonde tot de “eeuwige zondestraf” – een eeuwige afzondering van God en een lijden in de hel (de Katholieke Kerk onderwijst eveneens dat mensen die niet door de Rooms-katholieke Kerk zijn gedoopt – of door een andere kerk die regeneratie door de doop onderwijst - onder normale omstandigheden ook tot de hel gedoemd zijn, omdat de smet van de erfzonde op hun ziel blijft rusten). Dagelijkse [minder zware of “veniale”] zonden daarentegen leiden niet tot de “eeuwige zondestraf”, maar tot een “tijdelijke zondestraf”. De Rooms-katholieke leer beschrijft deze “tijdelijke straffen” die door God worden opgelegd soms als een manier waarop Hij Zijn kinderen loutert/reinigt (of in dit leven, of in het vagevuur). Maar de Rooms-katholieke Kerk ziet de dagelijkse zonde ook als een handeling die een schuld aan Gods rechtvaardigheid schept; deze schuld moet worden afgelost op een manier die verschilt van de boetedoening door Christus voor de eeuwige zondestraf. De Rooms-katholieke Kerk onderwijst dat het vanwege de eenheid in het Lichaam van Christus (de Gemeenschap van de Heiligen, inclusief nog levende gelovigen, gelovigen in de hemel, RK heiligen in de hemel, Christus, Maria, en de imperfecte gelovigen in het vagevuur) mogelijk is dat de waarde die voortkomt uit goede daden, gebeden, het geven van aalmoezen, lijden, enzovoorts van één of meer van de leden van dit Lichaam toegepast kan worden op de tijdelijke schuldenlast van een ander. De Rooms-katholieke Kerk onderwijst dat de gecombineerde waarde van Christus, de heiligen en godvruchtige gelovigen wordt opgeslagen in een plaats die de Genadeschat van de Kerk wordt genoemd (ook wel de “Schatkist van de Kerk”, de “Schat der Voldoeningen” of de “Thesaurus Ecclesiae” genoemd). En via de apostolische opvolging van Petrus heeft alleen de Rooms-katholieke Kerk het gezag om waarden uit deze schat “op te nemen” en ze aan gelovigen in dit leven of in het vagevuur uit te keren, om zo een gedeelte van hun dagelijkse zonden of hun volledige dagelijkse zondelast af te lossen. Dit woord gedaan door de verlening van aflaten.

Nogmaals, aflaten hebben alleen betrekking op de tijdelijke en niet op de eeuwige zondestraf en kunnen alleen door een leider van de Rooms-katholieke Kerk verleend worden aan iemand die zich of in het vagevuur bevindt of nog steeds in leven is en wiens leven zich in een toestand van heiligende genade (de louteringstoestand ) bevindt (dat wil zeggen: hij of zij zou naar het vagevuur en niet naar de hel gaan als hij op dat moment zou sterven). Een aflaat kan verkregen worden door een goede daad te verrichten, door een Mis voor iemand anders op te dragen, door te bidden, door onthouding, door aan de armen te geven of door een andere deugdelijke verdienste die in overeenstemming met de geldende vereisten wordt uitgevoerd. Deze vereisten worden bepaald door de Paus of door een bisschop die gezag heeft over het betreffende individu. Het opdragen van een Mis (misoffer) voor een ander wordt gezien als de meest effectieve manier waarop de tijdelijke zondestraf voor die ander in het vagevuur kan worden verminderd. Een gedeeltelijke aflaat zal de tijdelijke zondestraf van een mens verlagen. Een volle aflaat zal de volledige tijdelijke zondestraf verwijderen.

Is het concept van aflaten bijbels?

Diverse Rooms-katholieke doctrines zijn afgeleid van tradities in plaats van de Schrift. En omdat de Rooms-katholieke Kerk vindt dat haar tradities in overeenstemming zijn met de Schrift en op eenzelfde gezaghebbend niveau staan als de Schrift, vinden zij dit geen probleem. Maar voor de meeste andere Christelijke groeperingen is alleen de Bijbel de hoogste gezagsbron en is de Bijbel meer dan voldoende om Christenen van alle middelen te voorzien die zij nodig hebben om Christus te kennen en te dienen zoals God dat wil (2 Timoteüs 3:15-17; Handelingen 20:32). Maar omdat de Rooms-katholieke Kerk stelt dat haar doctrines niet strijdig zijn met de Schrift en de Schrift als een onderdeel van haar gezag aanvaardt, is het gepast om beide partijen de volgende vraag te stellen: “Zijn aflaten bijbels?”

Een nadere beschouwing van de passage die de Rooms-katholieke Kerk gebruikt om doctrines als de tijdelijke zondestraf, de plaatsvervangende boetedoening door mede-gelovigen en heiliging en het vagevuur te ondersteunen illustreert de afhankelijkheid van de Rooms-katholieke Kerk van tradities; een afhankelijkheid die veel verder gaat dan de Schrift. Andere doctrines, zoals de Genadeschat van de kerk, de “onmetelijke, onuitputtelijke en steeds nieuwe waarde van Maria”, de “schat van de verdiensten van de heiligen” en het bestaan van aflaten zijn volkomen vreemd aan de Schrift! Is de doctrine van de aflaten Bijbels? Een consequente en contextuele interpretatie van de Schrift zal noch het onderricht van de aflaten, noch de verwante doctrines ondersteunen.

Aflaten en het vagevuur

De Rooms-katholieke Kerk citeert enkele passages uit de Schrift ter ondersteuning van het vagevuur. Naast een passage uit het apocriefe boek 2 Makkabeeën worden ook 1 Korintiërs 3:10-15, Matteüs 5:26 en Matteüs 12:32 genoemd als Schriftteksten die het idee van het vagevuur zouden ondersteunen. Matteüs 5:26 maakt deel uit van een gelijkenis over vergeving. Matteüs 12:32 gaat over de lastering van de Heilige Geest. Geen van beide passages spreekt over gebeurtenissen na de dood. Het is een hermeneutisch principe (hermeneutiek is de studie van de correcte uitleg van de Schrift) dat “onduidelijke” passages die een bepaald onderwerp slechts aanstippen geïnterpreteerd moeten worden aan de hand van passages die eveneens over dat onderwerp gaan of die wel duidelijk over dat onderwerp zijn. De interpretatie van deze verzen alsof er na de dood een plaats zou zijn (het vagevuur) waar een verdere schuldaflossing en loutering zou plaatsvinden, gaat lijnrecht in tegen vele duidelijke doctrines in de Bijbel die stellen dat er slechts twee plaatsen zijn waar iemand na de dood terecht kan komen: of met de Heer in de hemel (2 Korintiërs 5:8; Filippenzen 1:21-23; 1 Tessalonicenzen 4:13-18), of gefolterd in de hel (Lucas 16:23-24; Openbaring 20:10-15). De Bijbel zegt niet dat er na de dood een “verdere loutering” volgt. De Bijbel zegt: “Het is het lot van de mens eenmaal te sterven, en daarna komt het oordeel" (Hebreeën 9:27). Zie ook ons artikel over het vagevuur voor een diepgaande bespreking van dit onderwerp.

Aflaten en boete doen

Katholieken spreken over “boete doen” voor hun zonden. Aan het einde van de biecht aan een priester wordt de biechteling verteld dat hij bepaalde dingen moet doen (zoals het bidden van bepaalde gebeden) die een onderdeel zijn van het “boete doen”. Een gedeeltelijk doel van deze boetedoening is om iemands neiging tot zondigen te doen omkeren en om hem weer tot God te wenden. Maar een ander doel dat herhaaldelijk in de Rooms-katholieke literatuur wordt vermeld is dat hiermee betaald wordt voor iemands zonden. Dit is niet hetzelfde als een schadevergoeding voor mensen die door deze zonde hebben geleden, maar veeleer een betaling die op de tijdelijke zondestraf wordt toegepast om aan Gods rechtvaardigheid te voldoen. Dit laatste doel is nauw verbonden aan het idee van aflaten en wordt niet in de Schrift vermeldt. De Bijbel spreekt over berouw, wat betekent dat iemand “zijn gedachten over zijn zonde verandert, wat resulteert in een veranderd gedrag”. De bediening en het onderricht van Johannes de Doper worden in Lucas 3:3-18 samengevat. Hij vertelde de mensen die door hem gedoopt waren (waarbij de doop een teken van hun berouw was) dat zij door middel van hun daden moesten tonen dat hun berouw oprecht was. Maar de boodschap is nooit dat je “voor je zonden moet betalen of boete moet doen door middel van onthouding of door goede daden te doen”, of met enige andere handeling. Johannes zei feitelijk in zijn oproep tot goede daden: “Bewijs me met je daden dat je berouw oprecht is” (zie ook Jakobus 2:18). Maar nogmaals, het idee van “boete doen” als een betaling voor onze zonden of als een terugbetaling van een tijdelijke schuld aan Gods rechtvaardigheid wordt nooit in de Schrift genoemd!

Aflaten en de Genadeschat van de Kerk

De doctrine van de “Genadeschat van de Kerk” werd in 1343 voor het eerst verwoord, door Paus Clemens VI. Hij beschrijft hoe deze “schatkist” niet alleen de verdiensten van de aflossing door Christus bevat, maar ook de “verdiensten (aflossingen) van Maria, de Moeder van God, en van alle uitverkorenen, van de grootste tot de kleinste van de rechtschapenen, die bijdragen tot de aangroei van de schat waaruit de Kerk kan opnemen om zo vrijspraak voor de tijdelijke zondestraf te verstrekken.”

De Bijbel noemt nooit iets wat lijkt op de “Genadeschat van de Kerk” en zegt nooit dat een gelovige voor de zonden van een ander kan boete doen. Paulus verwoordt in Romeinen 9 en 10 dat hij, als dit mogelijk zou zijn, oprecht bereid zou zijn om verdoemd te worden als dat de redding van zijn mede-Israëlieten zou inhouden. Maar dit is niet mogelijk, omdat Paulus en de andere schrijvers van het Nieuwe Testament schrijven dat de rechtvaardige Rechter tevredengesteld was toen Jezus onze aflossing (pacificatie) voor onze zonden werd. Zij schrijven verder dat er buiten Hem geen verzoening bestaat (Jesaja 53:6; Romeinen 5:10-11; 2 Korintiërs 5:21; 1 Johannes 2:2; Hebreeën 10:1-18!). Er wordt zelfs nooit gezinspeeld op het idee dat een plaatsvervangende verzoening door gelovigen mogelijk zou zijn voor hun mede-gelovigen, dood of levend. De Rooms-katholieke Kerk maakte een onderscheid tussen de schuldaflossing voor de eeuwige zondestraf van mensen en hun tijdelijke zondestraf, maar het idee dat iemand anders dan Christus de schuld van onze zonden en de straf daarvoor zou kunnen aflossen kan nergens in de Schriftteksten worden aangetroffen. Nooit wordt ons over de “schat van de verdiensten van de heiligen” geleerd of wordt gesteld dat de gebeden en goede daden van Maria “onmetelijk, onuitputtelijk en steeds nieuw” voor God zijn. In de Schrift bestaat slechts één onuitputtelijke en oneindige verdienste en dat is de schuldaflossing door Christus. Punt.

Aflaten en de tijdelijke zondestraf

Het Katholieke Catechismus spreekt over de tijdelijke zondestraf als een louteringsproces (reinigingsproces). Maar op andere plaatsen in de officiële Rooms-katholieke leer wordt het een geestelijke schuld genoemd die afgelost moet worden, of door het individu dat gezondigd heeft, of door iemand anders op een plaatsvervangende manier. Ook hier maakt de Rooms-katholieke Kerk een onderscheid tussen de eeuwige bestraffing voor “zware” zonden en een tijdelijke bestraffen voor “dagelijkse / minder zware” zonden. Het mag duidelijk zijn dat de Rooms-katholieke Kerk onderwijst dat de tijdelijke zondestraf een wettelijke of “juridische” aard heeft. Dat wil zeggen dat er aan de gerechtigheid van een rechtvaardige Rechter wordt tegemoetgekomen en dat in het hiernamaals in het vagevuur aan deze gerechtigheid moet worden voldaan als dat niet in dit huidige leven wordt gedaan. Het is juist dit wettelijke aspect, de “betaling om de gerechtigheid tevreden te stellen”, die on-Bijbels is. De Schrift leert ons dat de zonden van een mens inderdaad in de eeuwige zin kunnen worden vergeven (waarbij de zondaar niet meer gedoemd is om naar de hel te gaan) en zelfs in een aardse zin (in die zin dat de straf die door de Mozaïsche Wet wordt opgelegd niet op de zondaar wordt toegepast, 2 Samuël 12:13). Zonde verandert dingen in dit leven en de manier waarop God in dit leven met ons omgaat. Er zijn diverse redenen in de Schrift die ons vertellen dat dit zo moet zijn:

1) Dit is een werkelijke wereld waar werkelijke daden ook werkelijke gevolgen hebben. Als we in de lente gerst zaaien, dan zullen we in de herfst geen tarwe oogsten. Als we zonden zaaien, dan zullen we uiteindelijk onrust, moeilijkheden, vernietiging en dood oogsten (Galaten 6:7; Romeinen 3:16; Jakobus 1:15).

2) Onze zonden en Gods reactie hierop beïnvloeden hoe wij en andere mensen onze God zien. Als we zouden zondigen en daar geen duidelijke gevolgen uit zouden voortkomen, dan zouden we zonde kunnen beschouwen als iets waar God “niet zo veel om geeft” en dat zou een lastering van Zijn heilige karakter zijn. Dit is één van de redenen die God gaf voor de dood van het kind dat geboren werd uit het overspel van David en Batseba (2 Samuël 12:13-14). Dat wil zeggen: als er geen aardse gevolgen waren geweest voor de moord op Uria en het overspel van David, dan zou God beschouwd worden als Iemand die dergelijke zondige daden zou goedkeuren.

3) Andere mensen die “getuige” waren van de zonde zouden worden aangemoedigd om ook te zondigen. 1 Korintiërs 10:1-12 stelt dat alle straffen die God aan de Israëlieten oplegde voor hun ongeloof, afgoderij, wellust, enzovoorts werden opgeschreven om ons te waarschuwen, zodat we van hun fouten konden leren. Het boek Spreuken vertelt ons dat anderen worden aangemoedigd om te zondigen als de straf voor zonden wordt uitgesteld (met andere woorden: als wij zien dat iemand anders “ermee weg komt”, dan worden wij aangemoedigd om hun zonde te herhalen). Daarom wordt de aardse straf door God opgelegd of staat Hij toe dat de natuurlijke gevolgen van de zonde kunnen uitgroeien, zodat anderen kunnen leren om niet te zondigen.

4) God tuchtigt ons voor ons eigen goed, zodat we van de vrucht der rechtschapenheid kunnen genieten die Hij voor ons in gedachten heeft. Wanneer een mens zijn vertrouwen in Christus stelt, dan is God niet meer onze Rechter, maar wordt Hij onze Vader (Johannes 1:12). Hij zal dan de Rechter zijn over de dingen die wij na onze redding hebben gedaan (2 Korintiërs 5:10-11; 1 Korintiërs 3:10-15), maar we hebben nu vrede met God (Romeinen 5:1-10) en we worden niet meer veroordeeld (Romeinen 8:1). Maar net zoals een liefdevolle vader zijn kinderen voor hun eigen goed tuchtigt, zo tuchtigt ook God ons voor ons eigen goed (Hebreeën 12:3-11). Maar wanneer je de beschrijving van deze hemelse tucht bekijkt, die in Hebreeën 12 wordt beschreven, dan zien we geen bestraffing in die zin dat er van iemand wordt geëist dat hij voor zijn zonden betaalt!

We zien dus dat God of aardse gevolgen oplegt, of de natuurlijke gevolgen van de zonde toestaat, maar geen enkele passage vertelt ons dat deze gevolgen worden opgelegd opdat aan Zijn tijdelijke gerechtigheid wordt tegemoetgekomen!

Nu we het gebrek aan ondersteuning in de Schrift hebben besproken van enkele van de fundamentele doctrines die noodzakelijk zijn voor het bestaan van aflaten, moeten we ook stellen dat er geen enkel voorbeeld of doctrine in de Schrift staat van een apostel of kerkleider die een “aflaat” aan een mede-gelovige verleent. Nog niet één! De volledige structuur van de doctrine van de aflaten heeft van top tot teen geen enkel Bijbels fundament.

Wij willen bidden dat de mensen die deze beknopte bespreking lezen voor zichzelf het onfeilbare en foutloze Woord van God zullen lezen, net zoals de apostel Paulus zag hoe velen tot geloof in Christus kwamen omdat zij zijn leer met de Schrift vergeleken (Handelingen 17:10-12), en zichzelf de volgende vraag zullen stellen: “Staat de leer van de Rooms-katholieke Kerk werkelijk in wat ik gelezen heb? ‘Passen’ zij zowel in de directe context van de betreffende passage als in de context van het Nieuwe Testament als geheel? Kan ik het ‘systeem’ van de Rooms-katholieke Kerk in het Nieuwe Testament terugvinden?” Wij bidden dat allen die de Naam van Christus voor zich opeisen zich wenden tot de eenvoud van een vertrouwen in Christus alleen en een verlangen om voor Hem te leven uit dankbaarheid voor alles wat Hij voor hen gedaan heeft (Romeinen hoofdstukken 3-12).